VVM logo nieuw 150x150

netwerk van milieuprofessionals

 
Bezoek ons op: 

 

 

 

 

 

 

De uitweg uit het stikstofmoeras: een veedichtheidsnorm

Geplaatst op 23-08-2022  -  Categorie: Artikelen  -  Auteur: Johan Sliggers  -  Bron: Tijdschrift Milieu

De Nederlandse veeteelt is door vele milieugrenzen gebroken. 280 melkkoeien op 40 ha, 5000 varkens op 4 ha, of 100.000 kippen op 5 ha is natuurlijk niet duurzaam. Hier helpt geen innovatie. We moeten extensiveren, maar hoe doe je dat? Johan Sliggers, onze columnist en oud-themacoördinator Verzuring bij het ministerie van Milieu, stelt in zijn artikel ‘De uitweg uit het stikstofmoeras: maak alle veeteelt grondgebonden!’ een veedichtheidsnorm voor. Niet meer beesten dan ecologisch verantwoord is. Ruwe berekeningen laten zien dat met een veedichtheidsnorm van 2,3 grootvee-eenheid (gve) per hectare een reductie van ammoniak van 50% haalbaar is. In het artikel ook handvatten hoe een dergelijke norm geïmplementeerd kan worden en hoe boeren een eerlijke prijs voor hun duurzame producten kunnen krijgen. Sturen op veedichtheid heeft ook het grote voordeel dat je niet afhankelijk bent van emissies of deposities.

Het artikel verschijnt in het oktobernummer van het Tijdschrift Milieu (2022-4). Vanwege de actualiteit is het nu al online op de VVM-site (hieronder). 

Voorpublicatie Tijdschrift Milieu nr. 4, oktober 2022

De uitweg uit het ‘stikstofmoeras’: maak alle veeteelt grondgebonden!

weide-koeien-foto-michiel-wijnbergh-1920 2

We staren ons blind op de emissie van ammoniak in plaats van het aanpakken van de oorzaak ervan: te veel beesten op een te klein oppervlak die gevoerd worden met geïmporteerd krachtvoer. Sturen op veedichtheid en sluiten van de stikstofcyclus is de uitweg uit het stikstofmoeras.

Auteur: Johan Sliggers

Er is te veel stikstof, met name ammoniak. Daar is iedereen het wel over eens. Over de oplossing hiervoor loopt een verhit debat. Een groot deel van de landbouwsector accepteert het gepresenteerde beleid van emissiereductie niet. Deels komt dat door een weinig voortvarende overheid, die het probleem de afgelopen twintig jaar uit de hand heeft laten lopen. Ten dele komt het ook door de huidige insteek om boeren uit te kopen. Dat uitkopen pakt het probleem ook aan de verkeerde kant aan. De emissie kun je het beste aanpakken aan de voorkant. Want hoe komt stikstof (en fosfaat) in het landbouwsysteem? Door al dat krachtvoer te importeren en kunstmest te gebruiken.

Maximum veedichtheid

Om uit de stikstofcrisis te komen moeten we dus vooral minder veevoer importeren en kunstmest te strooien, want een groot deel van de mineralen daarin blijft achter in het Nederlandse milieu. Als het voer voor de dieren op eigen grond en met eigen mest wordt verbouwd, dan kun je van duurzame veeteelt spreken. In 2016 heeft de Coalitie voor Grondgebonden melkveehouderij een ‘Plan Grondgebonden melkveehouderij’ gepresenteerd. De coalitie stelt een veedichtheid voor van 2,3 GrootVeeEenheden (gve) per hectare cultuurgrond of 16.750 kg melk per ha (zie tabel 1). In het plan is er naast grasland voor beweiding ook voldoende land beschikbaar om eigen krachtvoer te produceren.

Het ligt voor de hand om dit principe van de melkveehouderij door te trekken naar de overige veeteelt: varkens, geiten, kippen, eenden etc. Alle beesten zijn namelijk om te rekenen naar gve’s (zie tabel 1). Wanneer het principe van 2,3 gve/ha hier ook wordt gehanteerd, betekent dit een enorme reductie van het aantal beesten. In deze sectoren bezitten de boeren vaak maar weinig land (niet-grondgebonden veehouderij). De onbalans tussen beesten en eigen land is hier vele malen groter dan bij de melkveehouderij. Je kunt ook stellen dat de ‘onduurzaamheid’ bij de niet-grondgebonden veehouderij het grootst is.

Een groot voordeel van het criterium 2,3 gve/ha is dat dit het stikstofbeleid aanzienlijk simpeler maakt. Overal geldt hetzelfde; er zijn geen ingewikkelde emissie- en verspreidingsberekeningen voor nodig. Het houdt ook rekening met boeren die al zijn omgeschakeld naar meer duurzame landbouw. Controle en handhaving is eenduidig.

Tabel 1. Aantal dieren per gve, enkele voorbeelden (Ministerie van LNV, NVWA).
Melkkoe (9000 l/jr)* 1
Rund jonger dan 1 jr 2
Rund ouder dan 1 jr 1
Vleesvarkens, zeugen en beren 5
Schapen en geiten 20
Pluimvee 150

* De Coalitie voor Grondgebonden melkveehouderij rekende in 2016 nog met ruim 7000 liter melk per koe per jaar als 1 gve. Sinds 2016 neemt de melkproductie per koe fors toe; kampioenen komen tot 30.000 liter. De gve-norm voor mekkoeien moet afhankelijk zijn van de melkgift. Een melkkoe met een productie van 27.000 liter komt op 3 gve wanneer 9.000 liter als maat voor 1 gve wordt gehanteerd.

Hoe komen we uit het stikstofmoeras?

Bij de invoering van de Programmatisch Aanpak Stikstofreductie (PAS) werd generiek beleid aangekondigd om vergunningverlening voor nieuwe activiteiten mogelijk te maken. Daar is niet veel van terechtgekomen. Veedichtheid, krachtvoer en kunstmestgebruik zijn de generieke knoppen waar je aan kunt draaien richting gezonde en duurzame veeteelt. Dit artikel geeft puntsgewijs weer hoe de mogelijke oplossing van het stikstofprobleem naar een kringlooplandbouw kan plaatsvinden. Het is geen blauwdruk en geen stappenplan; wel een mogelijk startpunt voor overleg met de sector.

1. Het Rijk moet het voortouw nemen

Het stikstofprobleem is een landelijk probleem waarvoor een strakke regie van de Rijksoverheid onmisbaar is. Naast een doel voor de natuurkwaliteit moet die overheid ook een doel stellen voor een duurzame landbouw. Welke veedichtheid is gewenst; hoe ver moet het gebruik van kunstmest en de import van krachtvoer terug? Zulke doelen kunnen een eenvoudig kader voor de beleidsuitvoering van provincies scheppen.

Met de regionale emissiereductiekaart waarmee provincies nu aan de slag moeten, lijkt het erop dat het uitvoeringsprobleem over de schutting wordt gegooid. Gezien de verhoudingen tussen boeren en bestuur zal het niet eenvoudig zijn om de gewenste emissiereducties te realiseren. Het leidt tot verschillende aanpakken per provincie en dus rechtsongelijkheid. Wel is er veel (smeer)geld beschikbaar voor vooral het uitkopen van boeren.

Het uitkopen komt trouwens neer op het subsidiëren van boeren die niet duurzaam produceren. Het is een dure en oplossing voor de korte termijn. Overblijvende boeren leggen het op termijn af tegen het buitenland waar meer (goedkope) grond en arbeidskracht is. Feitelijk is uitkopen weggegooid geld.

2. Ontkoppel ammoniak- en stikstofoxidenbeleid

Misschien wel de grootste fout in het PAS-debacle is het op één hoop gooien van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx). De beleidsmatige koppeling van de reductiedoelen voor beide stoffen zorgt voor een grote frustratie. Het is rijksbeleid geweest en dus moet het Rijk deze koppeling ongedaan maken. NH3 en NOx zijn namelijk twee totaal verschillende stoffen.

  • Om te beginnen zit in 1 kilo NH3 veel meer stikstof (820 gram) dan in 1 kilo NOx (300 gram). Dat is bijna een factor 3.
  • De depositiesnelheid is ook verschillend. Van onze NH3-uitstoot blijft gemiddeld 38% in Nederland, terwijl dat voor NOx 13% is. Een factor 3.
  • De bestrijdingskosten van beide stoffen verschillen eveneens. Bij beide zijn de goedkoopste maatregelen al genomen en zijn er alleen duurdere opties over. Voor NH3 kosten stalaanpassingen en luchtwassers 2 tot 15 euro/kg NH3. Voor NOx kosten verdergaande maatregelen rond de 40-50 euro/kg NOx.

Alle drie de factoren bij elkaar maakt het verder reduceren van NH3 ruwweg 50 keer kosten-effectiever om de stikstofdepositie te verminderen.

Daar komt nog bij dat de emissies van NOx sinds de tachtiger jaren gestaag dalen. Tussen 2000 en 2020 zijn de NOx-emissies met 60% afgenomen; ze zullen in de toekomst nog verder dalen als gevolg van het klimaatbeleid. Tussen 2000 en 2020 nam de NH3-emissie met 30% af, de helft van die van NOx.
Een groot voordeel van het ontkoppelen van de NH3- en NOx-doelen is ook dat de bouw niet meer afhankelijk is van de voortgang bij de reductie van NH3-emissies.

3. Zorg voor een eerlijke prijs

Duurzaam boeren betekent voor een boer minder produceren en (bij gelijke prijzen) dus minder verdienen. Dat betekent ook minder uitgaven aan krachtvoer en kunstmest. Wil het boerenbestaan lonend blijven, dan zal de prijs die zij krijgen voor vlees en zuivel dus omhoog moeten. Boeren krijgen nu voor melk ca 40 eurocent per liter, terwijl die liter in de winkel ongeveer € 1 kost. Het verschil blijft in ‘de keten’. De echte grootverdiener zijn dus niet de boeren, maar de agro-industrie (veevoerbedrijven, zuivelcoöperaties en slachterijen), banken, voedingsmiddelenindustrie en supermarkten.

Een dubbeltje meer per liter zal boeren enorm helpen om duurzaam te werken. Voor andere landbouwproducten geldt hetzelfde. Keurmerken zijn nodig om een onderscheid te maken tussen duurzaam en niet-duurzaam geproduceerde producten. De Rijksoverheid is aan zet om duurzame boeren een zet in de rug te geven. Dat kan bijvoorbeeld door de btw op duurzaam geproduceerde producten op 9% te laten en die van niet-duurzame producten op 21% te zetten.

Boeren krijgen nu jaarlijks een EU-subsidie van 800 miljoen, voor het grootste deel als hectaresubsidie, ongeacht de manier van produceren. Daarnaast heeft het kabinet tot 2035 24 miljard uitgetrokken om de stikstofcrisis te lijf te gaan. Uit die twee potten is dus ongeveer 3,5 miljard per jaar beschikbaar voor de transitie naar een duurzame landbouw.

Minder beesten per ha gaat niet vanzelf. Hiervoor zijn heffingen een geschikt instrument, bijvoorbeeld een steeds hogere heffing naarmate bedrijven meer beesten hebben dan de norm van 2,3 gve/ha. Een accijnsverhoging op het gebruik van geïmporteerd krachtvoer en kunstmest ondersteunt dit doel. Ook hiervoor staat het Rijk aan de lat. Zo’n heffing maakt export van niet duurzaam geproduceerd vlees en zuivelproducten minder aantrekkelijk, net als een btw-differentiatie dat doet voor de import ervan. De opbrengst van de heffing en het hogere btw-tarief op niet-duurzaam geproduceerde producten kunnen eveneens gebruikt worden voor de transitie. Een brede coalitie onder leiding van oud-landbouw minister Cees Veerman schat dat er voor de omschakeling 1,5 tot 2 miljard per jaar nodig is.

Geld lijkt niet het grootste probleem. Het gaat om de juiste prikkels. Het faciliteren van de landbouwtransitie is wel tegen het principe ‘de vervuiler betaalt’, maar is te billijken aangezien de intensieve veeteelt mede door het beleid ontspoord is.

Wat levert de 2,3 gve/ha mogelijk op?

Een norm van 2,3 gve/ha cultuurgrond heeft veel voordelen en lijkt daarmee aantrekkelijk. Maar hoe gaat dat uitpakken? Als vingeroefening kun je kijken naar het aantal gve in elke provincie, dit delen door de hectares cultuurgrond en daar wat rekenexercities mee doen. Het is een zeer grove benadering, waar toch interessante conclusies uit te trekken zijn (zie tabel 2).

Tabel 2. Emissies NH3 en berekende emissiereducties op basis van het toepassen van een norm van 2,3 gve per hectare cultuurland voor Nederland en de 12 provincies (CBS-Statline).

2020

NL

Gr.

Fr.

Dr.

Ov.

Flev.

Gld.

Utr.

NH.

ZH.

Zld.

N-Br.

Lb.

NH3 (Kton/j)

107,1

4,2

9,4

5,0

15,5

1,4

21,6

4,2

2,6

2,8

1,2

29,8

9,5

gve/ha

3,8

1,7

2,7

2,2

5,1

1

6,2

3,9

1,3

1,6

0,6

8,1

6,3

>Norm 2,3 gve/ha

1,5

 

0,4

 

2,8

 

3,9

1,6

 

 

 

5,8

4,0

NH3 bij 2,3 gve/ha

54,5

4,2

8,0

5,0

7,0

1,4

8,0

2,5

2,6

2,8

1,2

8,5

3,5

% reductie
Vee en NH3

49

 

15

 

55

 

63

41

 

 

 

72

63

Een eerste conclusie is dat Nederland nu, met gemiddeld 3,8 gve/ha, ruim boven de 2,3 gve norm zit. In zes provincies met veel grondgebonden veeteelt (rund/melkvee) ligt de gemiddelde veedichtheid onder de 2,3 gve per ha landbouwgrond. Daar lijkt, afgezien van wat schuiven tussen individuele bedrijven, per saldo weinig inkrimping nodig. In provincies met vooral niet-grondgebonden veeteelt (varkens, kippen en geiten) overschrijdt de gemiddelde veedichtheid de gve-grens en is wel inkrimping nodig, met de bijbehorende daling van de ammoniakemissies. De emissiereductie zal op bedrijfsniveau anders uitpakken. Voor meer precieze berekeningen hoe de 2,3 gve-norm uitpakt voor de natuurbescherming zijn regionale gegevens op bedrijfsniveau nodig. Het RIVM kan die sommen maken.

Transparantie en communicatie

Het naar buiten brengen van de complexe ‘regionale emissiereductiekaart’ en het voornemen de provincies op te dragen om samen met de boeren binnen een jaar met een plan te komen, was ‘een lont in het kruitvat’ – zeker gezien de ervaringen van de afgelopen jaren. Iedereen kijkt naar de eigen ‘achtertuin’ en begrijpt niet waarom hij of zij meer moet doen dan een ander. Het vertrouwen in de overheid bij de boeren was al niet groot. Een verzoener/bemiddelaar/gespreksleider probeert nu de angel uit het conflict te trekken, terwijl de doelen niet ter discussie mogen staan. Dat wordt een lastige klus.

Helder generiek beleid kan de huidige impasse doorbreken: gelijke monniken, gelijke kappen. Een norm voor een veedichtheid van 2,3 gve/ha cultuurgrond geeft de duidelijkheid waar zoveel behoefte aan is, en is eenvoudig te begrijpen.

Johan Sliggers werkte 33 jaar bij het ministerie van Milieu, waarvan 20 jaar (1990-2010) als themacoördinator Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging. Hij was hoofdonderhandelaar voor Nederland in Brussel (EU) en Genève (UNECE) om emissieplafonds voor onder meer stikstofoxiden en ammoniak vast te stellen. Sinds november 2018 is hij met pensioen.

Dit artikel is een concretisering van twee eerdere artikelen over stikstof die in het Tijdschrift Milieu hebben gestaan (2021-5 en 2022-3).